Knooppunt Hazeldonk, gele nummerplaten, vuilwitte wolken in de lucht. Zondagmiddag rond drie uur. Nog zo'n 150 kilometer voor we thuis zijn. Ik zucht.
Dit is de derde dag van de reis, de dag waarop een einde aan de vakantie komt. Goed, ik heb morgen ook nog een dag vrij, maar dan zijn we weer in ons eigen huis. Dan zal alles toch al anders zijn. Anders dan in de afgelopen weken. Ruim drie weken zijn we voortdurend bij elkaar in de buurt geweest. Er is geen moment geweest waarop we niet in elkaars onmiddellijke nabijheid waren. We waren met z'n vijven bij het huisje, we gingen er met z'n vijven op uit, we gingen zelfs met z'n vijven boodschappen doen. Geen enkele keer hebben we ons opgesplitst, altijd waren we bij elkaar. Daar gaat straks een einde aan komen, onherroepelijk. Overmorgen zal ik om kwart over zes opstaan, terwijl de anderen nog slapen. Ik zal me douchen, aankleden, mijn pap eten, en de deur uitgaan. Ik zal de anderen achterlaten. Ik zal alleen op de fiets zitten, en daarna in de trein. De eenheid zal verbroken worden.
Ik zie de bekende borden boven de weg, de bekende plaatsnamen. Ik kan de opschriften op de reclameborden weer gewoon lezen. Dit is Nederland, ik ken het hier. Ik denk even terug aan het begin van de terugreis, drie dagen geleden. Hoe we nog één keer over de smalle en bochtige bergweggetjes naar de grote weg afdaalden. Ik zat grapjes te maken en luidruchtig te doen. De jongens hadden erg om gelachen. Nu zitten ze achter me met hun hoofdtelefoontjes op naar
een film te kijken, en Esther zit naast me te lezen. Ze zijn zich er
niet van bewust dat de tranen achter mijn ogen branden. Ze hoeven het
niet te merken, ik hoef ze niet te belasten met mijn trieste gevoel. Het zal wel weer overgaan.